Korte samenvatting:
Martijn en Ellen brengen de laatste week van het jaar door op Terschelling. Pas op oudjaarsdag houdt het op met regenen. Ze hebben nog twee uur voordat het donker wordt, dus tijd genoeg om de langverbeide wandeling te maken, menen ze. Maar het loopt anders. Wat een ontspannen wandeling moest worden, resulteert in een beproeving voor hen beiden.
Fragment:
‘Kijk.’ Martijn wees naar de zee. Tientallen meeuwen verdrongen zich daar boven iets dat willoos heen en weer spoelde in de branding. Het leek op een zak meel, maar Ellen bedacht dat een natte zak meel niet zou blijven drijven. De vogels haalden hysterisch uit naar het ding in het water en naar elkaar. Ze hoorde ze krijsen boven het geraas van de wind uit. Het deed haar denken aan een nare film die ze eens had gezien.
‘Meeuwen zijn aaseters,’ zei Martijn.
‘Gatver.’
‘Wil je kijken?’
Natuurlijk wilde ze niet kijken. Wat het ook was, het was dood en het werd ongetwijfeld met de minuut minder aantrekkelijk om te aanschouwen. Martijn liep er al heen. Ze kon hier moeilijk achterblijven.
Toen ze dichterbij kwam, zag ze tussen de fladderende vleugels en klauwende poten de glimp van een wit lichaam zo groot als dat van een mollige kleuter. Het dreef niet meer, het was vastgelopen op het strand en bewoog nog slechts van de ene zij op de andere met de golven mee. De brutaalste meeuwen zaten er nu bovenop.
Speeksel verzamelde zich in haar mond. Ze slikte. Martijn rende schreeuwend en met zwaaiende armen, alsof hij zelf een poging deed om op te stijgen, op de kluwen af. De gevederde duivels stoven uit elkaar. Op veilige afstand gilden ze furieus naar de indringers die hun feestmaal kwamen verstoren. Ellen vroeg zich af of de meeuwen tot het besef zouden kunnen komen dat ze niet hoefden te wachten tot ze aas was. Als ze zouden samenwerken, dan konden ze haar met gemak doden. Toch liep ze verder. Naar Martijn, die met gebogen hoofd voor het schommelende lijfje stond. Pas toen ze vlak bij hem was, zo dichtbij dat ze zijn arm zou kunnen grijpen als ze dat zou willen, durfde ze haar blik los te maken van de gebreide rand in zijn muts. Ze keek omlaag. Een jonge zeehond keek haar aan met de zwarte leemten waarin kort geleden zijn lieve ogen zaten.
‘Shit,’ fluisterde ze.
Martijn keek opzij. ‘Dat zal dit jong een understatement vinden, denk ik.’
Ze schudde haar hoofd. Altijd gevat. Vermoeiend. ‘Wat doen we met hem?’
‘Wat we met hem doen? Ach, weet je wat, ik gooi hem over mijn schouder en neem hem mee. Wat kan dat helemaal wegen?’
‘We kunnen hem hier moeilijk achterlaten. Als meeuwenvoer.’
‘We hebben geen keus.’
‘Kunnen we hem niet begraven?’
‘Zeker. Waar is de schep?’
Hij had verdomme alweer gelijk. Ze draaide zich om en begon te lopen. Terug naar de duinen. Martijn kwam achter haar aan.
Zo werkt de natuur toch, lieverd. Wees blij dat zijn dood ergens goed voor is.’
Ze schudde de hand die hij op haar schouder legde van zich af. Nu een beetje de gevoelige man uithangen, zeker. Ze zou eens gaan bedenken aan wie of wat ze zíjn lichaam kon voeren. Dat híj nog ergens goed voor was, na zijn dood.
Haar linkervoet was inmiddels gevoelloos geworden. Het lopen werd ook zwaarder; ze kwam steeds moeilijker vooruit. Ze hoorde een zuigend geluid bij elke stap die ze deed. Dat was haar nog niet eerder opgevallen. Plotseling zakte de wereld onder haar weg. Ze gilde. Haar eerste gedachte was dat haar voet nu definitief overleden was, maar toen ze naar beneden keek zag ze de werkelijke oorzaak van haar val.
‘Drijfzand!’
‘Meeuwen zijn aaseters,’ zei Martijn.
‘Gatver.’
‘Wil je kijken?’
Natuurlijk wilde ze niet kijken. Wat het ook was, het was dood en het werd ongetwijfeld met de minuut minder aantrekkelijk om te aanschouwen. Martijn liep er al heen. Ze kon hier moeilijk achterblijven.
Toen ze dichterbij kwam, zag ze tussen de fladderende vleugels en klauwende poten de glimp van een wit lichaam zo groot als dat van een mollige kleuter. Het dreef niet meer, het was vastgelopen op het strand en bewoog nog slechts van de ene zij op de andere met de golven mee. De brutaalste meeuwen zaten er nu bovenop.
Speeksel verzamelde zich in haar mond. Ze slikte. Martijn rende schreeuwend en met zwaaiende armen, alsof hij zelf een poging deed om op te stijgen, op de kluwen af. De gevederde duivels stoven uit elkaar. Op veilige afstand gilden ze furieus naar de indringers die hun feestmaal kwamen verstoren. Ellen vroeg zich af of de meeuwen tot het besef zouden kunnen komen dat ze niet hoefden te wachten tot ze aas was. Als ze zouden samenwerken, dan konden ze haar met gemak doden. Toch liep ze verder. Naar Martijn, die met gebogen hoofd voor het schommelende lijfje stond. Pas toen ze vlak bij hem was, zo dichtbij dat ze zijn arm zou kunnen grijpen als ze dat zou willen, durfde ze haar blik los te maken van de gebreide rand in zijn muts. Ze keek omlaag. Een jonge zeehond keek haar aan met de zwarte leemten waarin kort geleden zijn lieve ogen zaten.
‘Shit,’ fluisterde ze.
Martijn keek opzij. ‘Dat zal dit jong een understatement vinden, denk ik.’
Ze schudde haar hoofd. Altijd gevat. Vermoeiend. ‘Wat doen we met hem?’
‘Wat we met hem doen? Ach, weet je wat, ik gooi hem over mijn schouder en neem hem mee. Wat kan dat helemaal wegen?’
‘We kunnen hem hier moeilijk achterlaten. Als meeuwenvoer.’
‘We hebben geen keus.’
‘Kunnen we hem niet begraven?’
‘Zeker. Waar is de schep?’
Hij had verdomme alweer gelijk. Ze draaide zich om en begon te lopen. Terug naar de duinen. Martijn kwam achter haar aan.
Zo werkt de natuur toch, lieverd. Wees blij dat zijn dood ergens goed voor is.’
Ze schudde de hand die hij op haar schouder legde van zich af. Nu een beetje de gevoelige man uithangen, zeker. Ze zou eens gaan bedenken aan wie of wat ze zíjn lichaam kon voeren. Dat híj nog ergens goed voor was, na zijn dood.
Haar linkervoet was inmiddels gevoelloos geworden. Het lopen werd ook zwaarder; ze kwam steeds moeilijker vooruit. Ze hoorde een zuigend geluid bij elke stap die ze deed. Dat was haar nog niet eerder opgevallen. Plotseling zakte de wereld onder haar weg. Ze gilde. Haar eerste gedachte was dat haar voet nu definitief overleden was, maar toen ze naar beneden keek zag ze de werkelijke oorzaak van haar val.
‘Drijfzand!’




