Korte samenvatting:
Karina is zoekende naar een nieuwe balans in haar leven. Kerst komt eraan en zij neemt zich voor het op een andere manier te vieren: alleen. Op kerstavond komt ze thuis. Ze loopt via de poort aan de achterkant haar tuin binnen. Net als ze de poort op slot draait, hoort ze stappen op de bladeren. Er staat een vrouw in haar tuin. Ze zegt dat het tijd is voor de ceremonie.
Fragment:
‘Het is tijd voor de ceremonie.’ De stem van de vrouw klonk luider, dichterbij, en ze draaide zich om.
‘De ceremonie?’
De vrouw was naar voren gekomen, achter de begroeiing vandaan en stond nu in het zachte licht van de buitenlamp die tegen de schuur hing. ‘Je schrikt.’ Haar stem was zacht, kalm. Haar lange mantel weerkaatste een bordeauxrode glans. In haar hand glinsterde metaal, ijzer met een zachte gloed. Een lemmet. ‘Koning Hulst is weldra uitgeregeerd´, vervolgde de vrouw, ´dat moet gevierd worden.’
‘Waarom draag je een mes?’ Ze klonk angstig, ze hoorde het zelf, terwijl ze juist zelfverzekerd en aanvallend had willen klinken.
‘Athame.’ De vrouw tilde het mes enigszins op, zodat het won aan zichtbaarheid. ‘Mijn heksenmes. Niet gemaakt om mee te steken, maar ’
‘Maar wat?’ Ze hield haar ogen op dat mes
heksenmes,
want het was scherp en lang, lang genoeg om zich in haar hart te boren als het op de juiste plaats door haar huid gestoken werd.
Met dat mes … ze wil iets vieren met dat mes.
‘Vieren. Wat? Hoe?’ Haar stem sloeg over, weer klonk ze niet stoer en stevig, maar bang en klein. Het maakte niet uit. De vrouw stond tussen haar en de achterdeur, en eer ze het slot van de poort open had was alles al te laat. Stoer of zwak, ze zag geen uitweg.
‘De ceremonie?’
De vrouw was naar voren gekomen, achter de begroeiing vandaan en stond nu in het zachte licht van de buitenlamp die tegen de schuur hing. ‘Je schrikt.’ Haar stem was zacht, kalm. Haar lange mantel weerkaatste een bordeauxrode glans. In haar hand glinsterde metaal, ijzer met een zachte gloed. Een lemmet. ‘Koning Hulst is weldra uitgeregeerd´, vervolgde de vrouw, ´dat moet gevierd worden.’
‘Waarom draag je een mes?’ Ze klonk angstig, ze hoorde het zelf, terwijl ze juist zelfverzekerd en aanvallend had willen klinken.
‘Athame.’ De vrouw tilde het mes enigszins op, zodat het won aan zichtbaarheid. ‘Mijn heksenmes. Niet gemaakt om mee te steken, maar ’
‘Maar wat?’ Ze hield haar ogen op dat mes
heksenmes,
want het was scherp en lang, lang genoeg om zich in haar hart te boren als het op de juiste plaats door haar huid gestoken werd.
Met dat mes … ze wil iets vieren met dat mes.
‘Vieren. Wat? Hoe?’ Haar stem sloeg over, weer klonk ze niet stoer en stevig, maar bang en klein. Het maakte niet uit. De vrouw stond tussen haar en de achterdeur, en eer ze het slot van de poort open had was alles al te laat. Stoer of zwak, ze zag geen uitweg.




